Preek 15 maart 2020 PG GenS, Exodus 6,2-9.28-7,7

Geschreven door: ds. Rina Mulderij 

Gemeente van Jezus Christus, 

Vandaag val ik gelijk maar binnen met mijn focus: hoe onttroont je een god? Hoe ontmasker je iemand die meent een aanspraak te moeten maken op macht, op jou? Hoe laat je zien dat de keizer geen kleren aan heeft? Ik besef dat er in deze tekst iets op het spel staat, waar wij in ons leven tegen aan kunnen lopen: namelijk bij wie horen wij? Met wie zijn wij verbonden op een manier die bevrijdend werkt? Hoe sta jij op tegen iemand, iets die jou zo vermoeit met dwang, dat je het woord van verlossing niet kunt horen? Vandaag staan wij aan het begin van een strijd tussen twee grootheden, een krachtmeting die van groter belang is dan een gevecht tussen Badr Hari en Rico Verhoeven. Het is een treffen tussen twee polen van vrijheid en dwang, onderdrukking. 

Mozes wordt voor de tweede keer geroepen om het volk van God los te maken van haar slavenbestaan, van de last en dwang die daarmee gepaard gaan. Israël zal bevrijd worden om het volk van God te worden en God zal haar God zijn: een God die liefdevol is en genadig, geduldig, trouw en waarachtig. Al hier lezen we tussen de regels door het zelfgetuigenis van God die als de Ene optreedt tegenover machten die het tegenovergestelde willen. Die machten worden hier in de farao gerepresenteerd. Hij is de tegenstander die geen gehoor geeft aan de eerste boodschap van IK-Zal-er-zijn. Sterker nog de farao heeft zelfs de dwangarbeid van de Israëlieten zwaarder gemaakt: ze moeten hetzelfde aantal stenen leveren, terwijl ze vanaf dat moment zelf voor het stro moeten zorgen. De klacht over het gezwoeg bereikt de Ene. Het raakt Hem en het roept in Hem het verbond in herinnering. 

De Ene zoekt Mozes weer op. Mozes doet zijn beklag: het volk luistert niet en de farao al helemaal niet. Mozes is open over zijn gebrek aan spreekvaardigheid, althans zo ziet Mozes dat zelf. Maar God ziet wat in de man die na jaren in de woestijn als herder geleerd heeft om zijn ego los te laten, die zelf zegt: “ik ben een niemand. Waarom roept U mij voor deze taak?” Mozes voelt zich minderwaardig, want “wie ben ik dat U mij vraagt?” Maar God herkent talent dwars door eigen veronderstelde ongeschiktheid heen. Zoals wij zelf ook tot ontdekking komen dat wij onvermoede gaven hebben, die God naar boven delft en tot bloei laat komen. Zelfs Mozes op z’n tachtigste en Aäron op z’n 83e gebruikt God om zijn plan van bevrijding tot stand te brengen. Dus het maakt niet uit hoe jong of hoe oud je bent. Voor God telt: hoe weet jij je in te zetten voor Zijn rijk, met welk hart doe je dat. Op welke manier buig je het kwade naar het goede toe? Hoe weersta jij de lokroep van godjes die een mens niet op een hoger plan willen brengen? Hoe beweeg je een farao die hardnekkig blijft weigeren om de Israëlieten te laten gaan? 

De farao werd in het oude Egypte gezien als een godheid. Aan hem werd goddelijke macht toegedicht. Hij bestuurde Egypte en hij zorgde voor het welzijn van het land en de Egyptenaren. Als de farao zich al aan zijn eenvoudige onderdanen liet zien, dan was dat een heel gebeuren. Nog meer dan fans die hun popidool zien. Ze konden er niet bij dat een godheid zich in hun midden ophield. Ik weet niet of je de situatie in Noord-Korea kent, maar de hele Kim-dynastie wordt als een godheid vereerd. Via internet, televisie kun je iets van die houding van Noord- Koreanen mee krijgen. Iets dat mij bij staat, is het verhaal van een team oogartsen, die zo nu en dan het land in mag, want er leven vele inwoners met oogproblemen vanwege slechte voeding en gebrek aan zorg. Heel voorzichtig werken deze artsen in Noord-Korea aan verbetering van het zicht en wat schetste mijn verbazing: als het verband van de ogen af wordt gehaald, is het eerste dat de Noord-Koreanen doen, het prijzen van de grote roerganger die voor hun genezing heeft gezorgd. Ik hoop dat ik het zo wat duidelijk kan maken hoe er tegen de farao aan werd gekeken in de tijd van de Egyptische dynastieën. 

Als je als een godheid behandeld en benaderd wordt, kan dat ook wat doen met jou. Als iemand jou telkens weer zegt hoe machtig, hoe groots, hoe knap je bent, je bevestigt in jouw bijzonderheid, dan ga jij op den duur daar in geloven, dat je dat ook bent. Dan moet je heel sterk in je schoenen staan dat jij blijft zien dat je maar een mens van vlees en bloed bent. Je meent dat je zelf wel weet hoe je moet besturen en van zo’n Hebreeuwse herder uit de woestijn laat jij je niets gezeggen. Een lastige vlieg, die sla jij zo van je af. “Slaven zo maar vrijlaten? Nou, als farao zou ik gratis werklui niet zo maar wegsturen. Laat ze maar harder werken!” “Waarom?” “Omdat ik het beveel!” 

Tegenover deze koppige farao stelt Ik-zal-er-zijn Mozes als een god op, met Aäron als zijn profeet, zijn spreekbuis, want goden spreken niet: dat doet alleen zijn woordvoerder. Dit komt ook voor in boek Handelingen (14,8-18), waar Paulus en Barnabas als goden in Lystra worden aangezien, omdat ze een verlamde man hebben genezen. Daar moeten zij moeite doen om te laten zien dat zij slechts mensen zijn die de levende God verkondigen, maar hier stelt God Mozes op bij de farao om op meer dan gelijke voet te staan. Mozes is hier een representant van God, de Heer. Mozes zal van Ik-zal-er-zijn zijn kracht en moed krijgen. Zo staan er twee machten tegenover elkaar: de koppige farao, die hardnekkig zich vastbijt in zijn nee en de onverzettelijke Ik-zal-er-zijn, die van de lange adem is, die zoekt naar manieren, tekenen en wonderen, om zich kenbaar te maken als de God die Israël bevrijden zal ondanks alle tegenstand, waar je in je eentje niet tegenop kunt boksen, waar je haast kopje onder gaat. 

God, de Ontzagwekkende, gebruikt de koppigheid van de farao voor het plan dat Hij voor Israël heeft. Pas na de tiende plaag, wanneer de dood in farao’s eigen huis komt, zwicht de farao voor de boodschap van “Laat Mijn volk gaan”. Maar zijn koppigheid vormt uiteindelijk zijn ondergang bij de Rode Zee. Tijdens de plagen ervaren de Egyptenaren wie die God van de Hebreeërs is: het is Eén die sterker is dan de farao en op deze manier breekt De Ene de macht van farao af. Zo wordt de farao ontmaskerd als een macht die niet voor het goede zorgt. “De farao zegt wel dat hij om ons geeft, zoals een herder om zijn schapen, maar ondertussen lijden wij, omdat hij die slaven niet wil laten gaan. Wie is toch die andere macht, die voor die mensen opkomt, die niet rust, voordat zij vrij zijn?” 

God werkt onder de Egyptenaren als een soort hefboom voor de Israëlieten. Hij zet die Egyptenaren in beweging tegen de farao, opdat ook op deze manier de Ene Israël leidt naar vrijheid, naar het land van belofte. Geduldig houdt God vast aan Zijn plan met deze aarde, die telkens weer door nieuwe godjes bevochten wordt. Als tegenmachten die zich voordoen als nog sterker dan God. Die een mens in de verdrukking brengen en niet tot de ware bestemming het leven, dat je bij God hoort als zijn kind, dat je als Zijn beeld hier vrij op aarde mag leven. Dat is de reden dat van Godswege deze zogenaamde machten aan de kaak worden gesteld, zoals bij de torenbouw van Babel, hier bij de farao en later bij de keizer van Rome. 

En wie en wat zijn die Godvijandige machten in onze tijd, die ons in de ban houden, waar wij niet aan lijken te ontkomen? Waar klagen wij over bij God, wanneer we verdrukt worden? Ga dat eens bij jezelf na. Hoe kunnen wij werken aan een wereld, waar ieder mens in tel is? Waar mensen niet in slavernij gehouden worden? Waar we de Harvey Weinsteins van deze wereld ontmaskeren, die denken dat ze met hun macht overal mee weg kunnen komen? Waar stellen wij de misstanden aan de kaak door met de waarheid te komen over hoe dingen ergens tot stand komen, zoals op plantages, waar kinderen aan het werk zijn gesteld en zo niet naar school kunnen gaan? Of waar er met dieren niet goed wordt omgesprongen? Soms is er maar één kind nodig om te zien dat de keizer geen kleren aan heeft. Om te zien dat God een plan heeft met jou, met ons en deze hele wereld. En dat dit plan ons wil bevrijden van kwaad, van zonde, opdat wij zullen leven in vrijheid dankzij Gods genade. Amen. 

Na verkondiging had ik het volgende lied willen zingen op de melodie van “Go down Moses” 

https://www.youtube.com/watch?v=rp2WdyeAHIM 

Lied: Het lied van de uittocht (muziek: Go down Moses lied 168, liedboek 2013 / tekst: Huub Oosterhuis) 

Toen Israël in Egypte zat
Koning laat ons gaan
toen 't volk geen god en koning had Koning laat ons gaan
God riep: Mozes Ik ben uw God voortaan spreek dan, Mozes, roep:
Koning laat ons gaan. 

En 't volk toog uit op Mozes' woord God zal met ons gaan
De zee, die 't zag, vlood ijlings voort God zal met ons gaan 

Vlucht maar, bergen, als rammen hiervandaan, spring dan, heuvels, want God zal met ons gaan. 

De goden van Egypteland
God zal met ons gaan
die mogen schreeuwen moord en brand God zal met ons gaan
Goud en goden, nu hebt gij afgedaan. Bergt u, doden,
want God zal met ons gaan. 

Hun mond is stom; zij spreken niet

God alleen bestaat
hun handen, ha, die tasten niet
God alleen bestaat
Hij is machtig en eeuwig duurt zijn naam. Schenk ons leven, o God blijf met ons gaan. 

Wij bieden u al wat wij zijn
omdat Gij bestaat
Weest Gij ons brood in de woestijn
omdat Gij bestaat
Mensen, broeders, biedt Hem uw leven aan; God zal met ons door dood en leven gaan. 

Contactgegevens

Protestantse gemeente Grootegast/Sebaldeburen

Goede Herderkerk, De Gast 2, 9861 BM te Grootegast

0594-613073

Contact via email