Preek, gehouden op 19 augustus 2018, Galaten 4,12-31 en Matteüs 3,8-10

Ds. H.C. Mulderij

Gemeente van Jezus Christus,

Vandaag gaan wij naar het hemels Jeruzalem en nee, dat is voor mij niet meer het beeld van het nieuwe Jeruzalem dat vanuit de hemel op de nieuwe aarde neerdaalt, zoals het in het Bijbelboek Openbaring (21, 2) beschreven staat. Deze week heb ik ontdekt dat het hemels Jeruzalem voor iets anders kan staan en neem ik jullie mee op deze ontdekkingstocht naar dat Jeruzalem van boven (Galaten 4,26).

Een uitspraak van een tikkeltje verouderd commentaar heeft mij namelijk in beweging gezet (van Stempvoort, DE BRIEF VAN PAULUS AAN DE GALATEN, ca. 1961.). Ik las daar dat dit vers in de Galatenbrief de oudste tekst is, waarin er over het Jeruzalem van de hemel wordt geschreven. Nu wist ik dat dit commentaar gedrukt was, voordat de geschriften van Qumran, de Dode Zeerollen, gepubliceerd waren, dus: klopt het wel wat hier staat? Is er in de tijd voor Paulus binnen het Jodendom niet eerder over het hemels Jeruzalem geschreven? Dit bleek niet het geval te zijn. Weliswaar heb ik enkele Qumranrollen gevonden die een beschrijving van het nieuwe Jeruzalem geven (De rollen van de Dode Zee, 2013, pagina’s 585-596: P. A.
https://books.google.nl/books/about/De_rollen_van_de_Dode_Zee.html?id=VKwyAgAAQBAJ&printsec=frontcover&source=kp_read_button&redir_esc=y#v=onepage&q&f=false ) en dat gaat om hoe het nieuwe Jeruzalem er uit zal zien, met haar poorten, de afmetingen en waar de mensen zullen wonen. Dit doet denken aan het profetenboek Ezechiël, waar hij in de laatste hoofdstukken (40-48) de nieuwe tempel moet opmeten en ook aan Openbaring, waar een engel Johannes van Patmos het nieuwe Jeruzalem laat zien, waar Gods luister de stad dag en nacht verlicht. Tussen deze beide boeken vallen deze beschrijvingen van Qumran wat in, ook wat ontstaanstijd betreft en Paulus geeft hier geen verdere beschrijving van het hemelse Jeruzalem. Dus, mijn aandacht was
verder getrokken: wat bedoelt Paulus hier met het Jeruzalem van boven?

Paulus is op een punt in de brief gekomen dat hij nog meer bewijzen vanuit de Schrift aan de Christusaanhangers in Galatië wil leveren, dat zij zich niet verder inlaten met joodse Christusaanhangers vanuit een bepaalde hoek, die willen dat niet-Joden eerst een joodse manier
van leven volgen, voordat deze niet-joodse broeders en zusters in Christus mogen delen in het heil van redding van de Messias. Paulus doet dat in hoofdstuk vier met persoonlijke argumenten, want de Galaten en Paulus hebben een gemeenschappelijke geschiedenis vanaf het begin dat zij tot geloof in Christus zijn gekomen. Hij roept dat in herinnering, dat hij, ook al was hij ziek, door hen is opgenomen en verzorgd. En nu? “Ben ik soms jullie vijand geworden, omdat ik jullie de waarheidzeg?” (vers 16) Paulus blijkt een emotionele man te zijn die hier een warme en hartstochtelijke persoonlijkheid laat zien. Ook op afstand blijft Paulus betrokken bij deze gemeenschap die hij heeft gesticht. Dat drukt hij uit in de woorden, dat hij pijn heeft, barensweeën zelfs, zoals een moeder die heeft om het kind dat geboren wordt. Vanaf het begin is er vriendschap, een blijvende, tussen
Paulus en de Galaten, die in persoonlijke, intieme termen beleefd wordt.


Vervolgens gaat Paulus verder met een beeld van twee verbonden aan de hand van de twee zonen van Abraham. In deze verzen (21-31) toont Paulus zich een meester in de Joodse vertel- en uitlegkunde én meester in de retorica, de spreekkunst van de Grieks-Romeinse kant. Beide gebieden weet Paulus heel creatief te verbinden. Paulus gaat ervan uit dat de geadresseerden bekend zijn met dit verhaal van Abraham, die een zoon van een slavin en een zoon van een vrijgeboren vrouw heeft mogen ontvangen en hij past een allegorische uitleg toe op deze teksten uit Genesis om zijn punt duidelijk te maken: namelijk, “jullie, Galaten, zijn kinderen van de belofte, van de vrijgeboren vrouw en jullie delen al in de erfenis van de vrijheid van het evangelie, zonder
dat jullie extra regels opgelegd hoeven te krijgen.”
Op deze allegorische uitleg, die in deze tijd rond het jaar nul opgang krijgt, kunnen wij vandaag de dag wat meewarig naar kijken en er is ook kritiek gekomen op deze inlegkunde die erg fantasievol is, misschien wel te. Ook van joodse zijde hoor ik al: “ahum....Wat Paulus hier schrijft, dat klopt niet, want wij zijn kinderen van Abraham via zijn zoon Isaak, de zoon van de belofte: hij heeft hier wel een hele vrije draai aan gegeven.” En heeft dit ook niet een duit in het zakje van het antisemitisme gedaan? Wel een hele flinke duit zelfs. In eerste instantie reageert Paulus op zijn tegenstanders, die als Christusaanhangers verlangen dat niet-Joden volledig joods leven, maar de stap is zo gemaakt, dat je hier ook een aanval op alles wat joods is, in kunt lezen. Dat de kerk Israël als het ware volk van belofte vervangen heeft. Van dit gevaar wil ik jullie doordringen, dat je hier heel voorzichtig moet lezen en achter en tussen de regels moet kijken, want er speelt hier meer mee dan dat je op het eerste gezicht ziet.


Paulus kwam als Farizese Jood graag in Jeruzalem. Het is het hart van deze religie, de heilige stad; voor sommige Joden zelfs de navel van de wereld, waar de Heilige van Israël voor 70 na de gewone jaartelling in de tempel aanbeden wordt. Binnen het Jodendom is Jeruzalem de belangrijkste pleknaast Eden en Sinaï. Echter Paulus is ten tijde van deze brief al jaren, ik schat zo’n bijna twintig jaar,geen Farizese Jood meer, maar apostel van Christus voor de niet-Joden, een Jood die Christus Jezus volgt. Voor zijn medefarizese Joden is Paulus niet meer de oude, maar hij is een afvallige verrader. Iemand met wie je niets meer te maken wilt hebben. Jeruzalem was voor Paulus een gevaarlijke stad geworden, waar hij niet meer welkom was. Dat zien we ook terug in het boek Handelingen van de apostelen, dat Paulus tijdens zijn laatste bezoek in de tempel komt en hij wordt daar vastgegrepen, omdat sommigen van mening zijn, dat hij zich tegen het Joodse volk keert en tegen de wet en de tempel (Handelingen 21-23).
Dit gevaar om in Jeruzalem te zijn is voor Paulus reëel aanwezig, toen hij deze brief heeft geschreven en hij wordt naar twee kanten getrokken. Hij verlangt met hart en ziel om Jeruzalem te zien, haar te bezoeken, er te zijn en tegelijkertijd beseft hij dat dit ook zijn ondergang kan worden, omdat hij een andere weg in Christus is opgegaan, waar hij met vernedering en verwerping te maken krijgt. Paulus wordt innerlijk verscheurd, als het woord Jeruzalem valt, want naar het huidig Jeruzalem gaan is voor hem moeilijk, een probleem zelfs. Het is een soort geestelijk thuis, maar je voelt je er ergens niet meer thuis, omdat je een andere kant bent opgegaan. Soms kan dat gevoel ook ons overvallen, dat de kerk, de gemeenschap, waarin je bent opgegroeid, vertrouwd bent geraakt, ergens niet meer jouw thuis is, omdat je zelf een andere stap in geloven hebt gezet, waar je volwassen bent geworden en het kinderlijke achter je hebt gelaten, waar de taal beknellend werkt of waar je anders tegen de Bijbel aan bent gaan kijken.


Dat ervaar ik nu ook bij het Jeruzalem van boven. Helemaal precies weten, wat Paulus met deze term heeft willen zeggen, dat kan in deze tijd niet goed meer, maar ik geloof wel dat het verlangen naar Jeruzalem er aan heeft bijgedragen, dat Paulus hier iets nieuws in heeft gezien. Het gaat hier niet om een toekomstig beeld zoals Johannes van Patmos dat heeft beschreven in Openbaring 21, maar om een beeld van nu, een verbeelding van Paulus’ geloof. Wat ik probeert te zeggen is dat Paulus in het Jeruzalem van boven de gemeenschap van Joden en niet-Joden in Christus ziet, waar het evangelie elk mens vrij maakt, waar ieder mens in deze hemelse stad thuis mag komen, er leeft in liefde als kind van God, de kinderen van de belofte. Deze plek noemt Paulus niet voor niets ‘onze moeder’ naast God, onze Vader: we krijgen er onze voeding en liefde, die ondanks alle verscheidenheid ons één maakt in Christus. Het is een plek, waar mensen in tel zijn, waar ze niet eerst aan een bepaalde, door mensen opgelegde status moeten voldoen, waar God met mensen op trekt, waar de Eeuwige zijn naam van Ik-zal-er-zijn waar maakt. Dit is voor Paulus het wonder van God, dat Jood en niet-Jood samen optrekken naar de heilige stad om daar God met vreugde te dienen, samen voor Gods aangezicht vrij te zijn.
Het Jeruzalem van boven is voor mij verbeeldingstaal, waar de ware gemeenschap in Christus Jezus nu ligt. Ik zeg heel bewust nu en niet straks, want dat komt niet vanuit deze tekst tot mij. Het is dan ook een vraag aan ons allemaal: waar ligt ons hemels Jeruzalem, waar wij samen in Jezus Christus zijn? Waar wij via en in Christus met elkaar verbonden zijn? Het is geen beeld van de ideale stad of toekomstmuziek, maar hoe vormen wij samen gemeenschap van brood en wijn, waar het water van de doop ons vrij maakt, waar wij delen in het kindschap met God als Vader. Ik besef ook dat dit voor sommigen best een schok kan zijn, dat ik anders naar het hemels Jeruzalem ben gaan kijken, maar ook jou wil ik uitnodigen om in dit beeld van geloven eens thuis, samen met medegelovigen verder te onderzoeken. Dat jij ontdekt, wat wil dit jou zeggen dat we nu al een hemels Jeruzalem hebben of iets beter gezegd: dat wij nu al tot een gemeenschap in Christus behoren, want dit Jeruzalem is niet ons bezit, maar via Jezus mogen ook wij hier thuis komen, er zijn. Vanuit dit geloof mogen ook wij verder op pad gaan en elkaar bemoedigen onderweg. Het Jeruzalem van boven is een leer- en leefgemeenschap, waar het niet gaat om de dode letter van de Schrift, maar waar de vreugde om de Levende ons vrij maakt om te leven naar de belofte, die God ieder mens, Jood en niet-Jood, schenkt. Amen.

Contactgegevens

Protestantse gemeente Grootegast/Sebaldeburen

Goede Herderkerk, De Gast 2, 9861 BM te Grootegast

0594-613073

Contact via email