Preek, gehouden op 25 februari 2018, PG Grootegast-Sebaldeburen: Marcus 9,2-10 (Bijbel in Gewone Taal)

Door ds. H.C. Mulderij

Gemeente van Jezus Christus,

We zijn mensen die herinneringen opdoen in de loop van ons bestaan. Elke dag maken we wel iets mee, dat we kort of voor langere tijd in ons geheugen houden. Sommige ervaringen blijven een heel leven bij ons. Ze zijn zo belangrijk voor ons, omdat het ons leven in een ander licht heeft gezet. Het heeft ons zo veranderd, dat we hiermee verder leven, dat we het met ons meedragen, zowel de goede als de slechte herinneringen. Vandaag wil ik me richten op die ervaringen die ons in het positieve veranderd hebben: de herinneringen die we in ons hart meedragen en waaruit we kunnen putten op die moeilijke momenten, wanneer we wel wat licht kunnen gebruiken. Zoals in de tijd dat Elia vervolgd wordt door koningin Izebel (1 Koningen 20) en dat hij na 40 dagen en 40 nachten God ontmoet in het gefluister van een zacht briesje. Mozes die als vluchteling uit Egypte (Exodus 3) God ervaart in een brandende doornstruik tijdens het herderen van de kudde van zijn schoonvader Jetro en hij dan de opdracht krijgt om aan Israël woorden en daden van bevrijding van Godswege te verkondigen. Zelf hebben we ook eigen ervaringen met het licht. Misschien niet zo groots, zoals hier bij de drie leerlingen van Jezus gebeurt, maar in de eigen momenten van geluk ervaren ook wij dat er iets meer is, dat wij worden geraakt door Gods aanwezigheid. Ook ons vallen pakketjes van eeuwigheid in ons dagelijks bestaan toe...

Het wordt een ander verhaal, wanneer we die momenten van geluk, vrede en vreugde willen vasthouden, zoals Petrus dat hier onder woorden brengt. Hij wil tenten bouwen op die hoge berg: “één voor u, één voor Mozes en één voor Elia.” Petrus wil dat deze glorierijke topervaring blijvend is, ook al weet hij zich net als Jakobus en Johannes geen houding te geven. Petrus wil ergens op de zaken vooruit lopen, terwijl de weg van Jezus Messias nog niet ten einde is gelopen op Pesach. Petrus had in het hoofdstuk hiervoor als enige gezegd, beleden dat Jezus de Messias is (Marcus 8,29) en daarop verbood Jezus hem dat tegen iemand te zeggen. Daarna heeft Jezus over de Mensenzoon gesproken (Marcus 8,31-33), die zal lijden, sterven en na drie dagen opstaan uit de dood. Met die weg door de dood heen heeft Petrus niet veel op en het komt hem op een berisping van Jezus te staan: “Achteruit jij, Satan! Jij denkt aan wat mensen willen, niet aan wat God wil.”

Petrus heeft iets met de grootse, glorierijke kant van de Messias, dat hij niet het lijden, sterven en opstaan onder ogen wil komen. Uiteraard: het idee van een lijdende Messias was niet sterk aanwezig in het Jodendom in de eerste eeuw, dat deze weg van Godswege door de dood heen liep. Dat besef moest groeien. Dat de weg van Jezus die van een soort antiheld is en niet van een zegevierende held, die met alle pracht en praal zich omringt: een weg waar mensen zich nog steeds door laten verblinden. In het hemelse licht – licht dat zo anders is dan dat wij op aarde kennen – krijgt Petrus iets van de weg mee die de Eeuwige met mensen voor heeft: dat deze weg niet is afgelopen met de dood. Dit symboliseren Elia en Mozes ook, want van beiden is hun laatste rustplaats niet bekend: Elia is door een wagen met paarden van vuur meegevoerd naar de hemel en niemand weet waar het graf van Mozes precies ligt. Door deze twee grote profeten wordt Jezusomringd, als teken dat ook het licht van de Eeuwige, de God van levenden bij hem aanwezig is. Dat ook God bij hem is, wanneer hij door een diep en doods dal moet gaan en wanneer hij opstaat.

Deze drie leerlingen ontvangen een ervaring van hoop, die over hen heen straalt, terwijl ook zij onderweg zijn op hun geloofsweg. Op zulke momenten is het geen kunst om te geloven. Maar hoe ga jij met geloof om, als je langs moeiten en zorgen moet gaan? Wanneer jouw kruis zwaar wordt, te zwaar om alleen te dragen? Geloof je of geloof je het dan wel? Het is dan heel verleidelijk om alleen je te richten op het schone, op een zeker weten, op iets dat in steen gehouwen is, maar daar wil Jezus niet verblijven. Jezus zoekt hier naar het hart, naar jouw hart: hoe blijf jij samen met anderen de hoop hoog houden, dat je in tijden van ziekte hoopt op leven? Dat bij onrecht recht zal worden gedaan, dat jouw leven in Christus ertoe doet en dat niet het kwaad, niet de dood het laatste woord heeft?

Ook wij hebben die hoop van Godswege nodig, wanneer de wanhoop ons om het hart slaat. Daarvoor hebben we tekenen nodig – voor ieder van ons kan die hoop anders ingekleurd worden. Ik sta vandaag even stil bij de Paaskaars die elke zondag voor in de kerk brandt. Deze kaars staat voor het licht dat met Pasen is doorgebroken in ons bestaan. Deze kaars symboliseert dat het licht sterker is dan het duister en dat dit Licht van God ook bij ons is, wanneer wij willen vieren, God willen loven, wanneer wij samen komen op deze bijzondere plaats. Ook als wij zo meteen een klein mensenkind, Bas, gaan dopen, ontsteken wij een kaars aan deze grote kaars. Dit is voor Bas, als hij wat ouder is, een teken dat God ook in zijn verdere leven aanwezig wil zijn en deze doopkaars mag je ook ontsteken op de moeilijke momenten en op de momenten, waarop Bas zich wil herinneren, dat hij via de doop verbonden is aan God: dat ook hij deelt in het licht.

Misschien ken je het verhaal over een oude boer die weet dat hij binnenkort gaat sterven? Hij wil zijn boerderij aan een van zijn drie zonen overdragen. Maar aan welke zoon? Hij geeft zijn drie zonen de opdracht om een voor een zo snel mogelijk de grote schuur te vullen. De zoon die dit het snelste kan doen, wint de boerderij. De oudste zoon probeert het met balen hooi, maar hij is de hele dag bezig. De middelste zoon spuit hem vol met graan. Dit kost hem maar een halve dag. De jongste zoon neemt zijn vader en broers midden in de nacht mee naar de donkere schuur en steekt een kaars aan. Hij vult de schuur met licht, want licht verjaagt elke duisternis.

 
 

Zo mogen ook wij met het licht omgaan: dat wij het delen als herinneringen van hoop, wanneer wij in het leven van alle dag uitzien naar “Licht dat terugkomt; Hoop die niet sterven wil; Vrede, die bij ons blijft.” (lied uit het oratorium Als de graankorrel sterft) Dat wij in leven en in dood door dit licht

gesterkt mogen worden. Amen.

 
 

Contactgegevens

Protestantse gemeente Grootegast/Sebaldeburen

Goede Herderkerk, De Gast 2, 9861 BM te Grootegast

0594-613073

Contact via email