Preek, gehouden op 20 augustus 2017 over Hosea 13,1-14,1

Door: ds. H.C. Mulderij

Gemeente van Jezus Christus,

Hosea is geen gemakkelijke profeet. Hij windt er geen doekjes om, waar het hem van Godswege om te doen is. Efraïm krijgt harde woorden te horen en ook Samaria wordt geraakt. De beelden van een verscheurende leeuw, een loerende panter en een beer en de primitieve handelingen van een bepaalde oorlogstactiek – dat een vijand ervoor zorgt dat er geen nieuw leger uit de kinderen en ongeboren vruchten wordt gevormd – die beelden leiden ertoe dat je de Bijbel dicht zou willen doen en net doen alsof er in de Bijbel alleen maar mooie verhaaltjes staan. In de Bijbel komen diverse stemmen aan bod, die ons allemaal wat willen zeggen over God, over onszelf en ook over hoe de relatie tussen God en mensen is. Stemmen die eeuwen geleden aan het papier zijn toevertrouwd en die als een spiegel ook voor ons in deze tijd willen dienen. Deze boodschappen willen ons te voorschijn roepen, dat wij ons als beeld van God waar maken in het leven. Dat wij ons laten schuren aan deze op het eerste gezicht en ook latere gezichten moeilijke teksten.

Gods oordeel is in bepaalde takken van de kerk langzaam aan verdwenen, terwijl ze in andere juist springlevend is, dat het alleen maar daar over kan gaan hoe slecht het met deze wereld gesteld is en dat God nu toch wel eens zal ingrijpen. Met deze teksten uit Hosea kun jij je ongemakkelijk voelen en ik zou dat een heilig ongemak willen noemen. Deze onrust zien we ook bij Jezus terug, die gekomen is om deze wereld als een dorsvloer te wannen, om haar te zuiveren, haar te ontdoen van kwaad. Kwaad dat soms heel geruisloos bij ons naar binnen sijpelt en ons verrot maakt zonder dat we dat zo door hebben. Kwaad dat we deze week weer in verschillende gedaanten hebben gezien. Waar een hooggeplaatst persoon na een verschrikkelijke aanslag vanuit haat man en paard pas na aandringen een beetje wilde benoemen en het weer introk en weigerde te zoeken naar verbinding. Waar mensen vanuit eigen richting vermoord worden, omdat ze misschien wel iets met drugs te maken hebben of vanuit een ideologie die geen oog voor de ander heeft. Waar een veilige plek voor jonge kinderen veranderde in dreiging, waar wel twee hun stem vonden om het tegen hun ouders te zeggen. Maar wellicht hoeven we niet eens verder dan ons eigen straatje te kijken om kwaad op het spoor te komen...

Een ongemak met het oordeel van God kan ik me goed voorstellen. Ik zat tijdens de voorbereiding er ook niet zo bij te juichen dat ik juist nu deze tekst had gekozen. Hosea is kritisch, maar de beelden die hij gebruikt, vind ik erg treffend voor de dingen, waar hij tegen in het verweer is gekomen van Godswege. Mooi vind ik het niet en daar kun je het wel met me eens zijn. Maar ze zetten je wel aan het denken, naast dat het afschuw opwekt. Waar sta ik als gelovige voor God? Hoe wil ik God plaats bieden in mijn leven? Of hoe is Hij er aanwezig? Is er slechts op de zondagochtend tijd vrij voor God en de rest van de week schiet dat er dan maar bij in, want dan heb ik het druk met werk, met de vrijetijdsbesteding, mijn hobby? Of dan word ik zo opgeslokt door mijn problemen? Of sta je er niet eens zo bij stil dat God ook aandacht van jou vraagt, want je hebt het toch zo goed? Je hebt geen gebrek en wat mis jij nou van God? Toch niets?

Het is een zorg binnen onze gemeenschap, hoe het verder moet in de toekomst. Wat moet er veranderd worden, wat trekt jonge mensen aan? Hoe leiden wij elkaar en anderen verder in christelijk geloven? We boksen op tegen een samenleving die vooral veel wil beleven, vermaakt wil worden, die aan een tsunami aan keuzes dreigt te bezwijken, want waar kies jij voor? Waar de zondag een dag zoals andere dagen moet worden, dat er iets te doen is, omdat wij ons zelf anders niet weten te vermaken? Maar denk ook aan de nadruk op dat je bent, wat je aan werk doet, dat je stress ervaart dat je altijd vooruit moet komen, carrière moet maken. Dat je naast je werk ook een druk sociaal leven moet hebben. Welk voorbeeld van geloven geven wij mee aan onze kinderen, kleinkinderen, buurtgenoten, vrienden en andere derden? Of laten we het maar er bij zitten, omdat we de welles-nietes-spelletjes zat zijn, dat we er geen woorden voor hebben, of is het soms gemakzucht, dat we zwijgen over God?

We hebben in de gemeenschap van gelovigen het wel eens over God dat we in Hem altijd iemand hebben die er voor ons is in onze nood – over God als onze Hulp in problemen, daar komen we vaak wel over te spreken, zoals de uitdrukking dat nood leert bidden. Maar hoe zit het dan met God als we verzadigd zijn? Als we een plek om te leven hebben, als we het weer gered hebben, als we goede weide hebben gevonden? Ik denk dat de uitdaging, waar wij als kerk hier en nu voor staan, heeft te maken met: hoe dragen wij geloof in de God van Jezus Christus over, als we het goed hebben, als we in overvloed leven – wat die overvloed dan ook mag zijn. Want waarom hebben wij God dan nog nodig? We hebben toch alles wat ons hartje begeert? En dat goede dat we hebben mogen ontvangen, dat is toch onze eigen verdienste? Daar hadden wij toch recht op?

Dat God vergeten wordt, lijkt heel geleidelijk aan in onze omgeving te hebben plaatsgevonden. Vanuit het centrum van ons leven is God aan de rand terecht gekomen of bij een deel zelfs uit het zicht verdwenen. Hebben de Baäls, afgoden ons verleid om God los te laten, om alles zo vol te stouwen dat er in deze verzadiging voor de Eeuwige geen ruimte is over gebleven? Of ervaren wij God als zo vanzelfsprekend in ons bestaan, dat we afgeleerd hebben om woorden van dankbaarheid en lof aan Hem te geven? Hoe praten wij met God? Je kunt het vergelijken met het hebben van relaties. Als je jouw partner, jouw vader, moeder, je vrienden als vanzelfsprekend beschouwt, maar je werkt er verder niet aan om deze banden goed te houden – je investeert zo gezegd niets in de ander aan wederzijds vertrouwen, liefde en aandacht. Dat kan een tijd goed gaan, maar niemand van ons wil als vanzelfsprekend behandeld worden: je wilt bij name genoemd worden, dat je meer bent dan alleen een meubelstuk, die toevallig er is of slechts ter opvulling. Je wilt er voor de ander ertoe doen. Je wilt dat de ander helder, oprecht en duidelijk met jou spreekt, met jou die relatie onderhoudt. En soms heb je daarbij een ander nodig die jullie weer op een vruchtbaar spoor zet, die jou bewust maakt, van wat trekt jou aan in die ander, hoe weet ik weer oprecht en goed met jou te spreken. Zo gaat het ook met de relatie tussen God en jou dat jij die open weet te houden.

Hoe is God in ons leven aanwezig en weten we ons met Hem te verhouden? Of hebben wij de rug naar Hem gekeerd om welke reden dan ook? Hoe komen wij uit deze impasse, uit dit doodse spoor weg? Hebben we soms voorgangers of andere voorbeelden van gelovigen nodig om als een soort relatietherapeut het gesprek met God weer te openen? Of iemand die als een vroedvrouw het gesprek met God nieuw leven weet in te blazen? Dat we beseffen wat trok ons om achter die God aan te gaan, die soms zo vreemd bij ons over kan komen, dat we soms met moeite Hem kunnen begrijpen? Die ons schrik kan aanjagen met dergelijke woorden van oordeel, dat we menen dat we met totale vernietiging te maken krijgen. Gods barmhartigheid wordt binnen dat oordeel wel duidelijk zichtbaar. Dat kun je als een soort doel van het oordeel zien: dat daarin we Gods genade mogen zien dagen. Dat wij te midden van de gebrokenheid van deze wereld naar God blijven zoeken en hem daar zullen vinden, waar wij hem verwachten of juist niet verwachten dat Hij daar is. Dat wij in onze kwetsbaarheid onze hoop stellen op een God die hartstochtelijk naar onze liefde zoekt. Die verlangt dat wij Hem leren kennen als een God die het goede met ons voor heeft en die ons wil leiden tot een bestaan in zijn licht, waar wij dit licht over al het kwade doen schijnen, opdat wij hier en nu zullen leven tot in eeuwigheid met Hem die ons redt. Amen.

Contactgegevens

Protestantse gemeente Grootegast/Sebaldeburen

Goede Herderkerk, De Gast 2, 9861 BM te Grootegast

0594-613073

Contact via email