Verkondiging gehouden op 30 juli 2017, Hosea 6,1-11a

Door ds. H.C. Mulderij

Over Hosea: bij Hosea 6,1-11a
Hosea leefde in de 8e eeuw voor Christus in het Noordrijk en daar heeft hij zijn taak als profeet op zich genomen. Na Salomo is het rijk in twee delen opgesplitst: Juda in het zuiden en in het Noorden, het Tienstammenrijk, wat in dit boek Efraïm of Israël heet. Over Hosea is niet veel persoonlijks bekend. In de loop van de 4e eeuw voor Christus is het boek tot stand gekomen. Een redacteur afkomstig uit Juda heeft de teksten van Hosea verzameld en bewerkt tot één geheel. Vandaar dat er ook zinnen staan die positief zijn over Juda. Hosea leefde in een veel bewogen en gewelddadige tijd: binnen de politiek en de godsdienst zijn mensen op drift geraakt. De koningen van Israël maken bondjes met Egypte en Assyrië en laten ze God als de ware Koning links liggen. In alle lagen van de bevolking – zelfs tegen de priesters profeteert Hosea – vinden er schendingen van het verbond met God plaats: er wordt gemoord en ze plegen overspel met God, oftewel: ze gaan achter anderen goden aan zoals Baäl. Een deel van de bevolking kan er niets mee dat God anders is dan die Baäl: De Heer laat zich niet in beelden van hout en steen vangen, laat staan dat Hij zo gemakkelijk te verzoenen is met mooie woorden. Ergens zien de sommige Israëlieten uit de 8e eeuw God als een soort Baäl die jou zal geven, waar je hem om vraagt: om vruchtbaarheid van het land, van de mens, dat Hij jou zo instant geluk geeft. Maar God vraagt meer van jou dan offers alleen...

Gemeente van Jezus Christus,

In Hosea 6 komen we twee beelden van God tegen die tegenover elkaar staan. Het lijkt wel of ze een gesprek met elkaar voeren. Aan de ene kant krijgen wij in het boetelied van Israël, Efraïm te horen van een God die weliswaar slaat en verscheurt, maar Hij verbindt en geneest ook. Sterker nog “Hij redt ons na een korte tijd. Op de derde dag doet Hij ons opstaan” Daar vertrouwen deze mensen op, dat God zo zeker als de dageraad zich zal tonen en dat Hij voor hen als milde regen is. Daar tegenover stelt God zich op: ‘denken jullie soms dat ik zo gemakkelijk in te pakken ben door wat mooie woorden? Wie denken jullie wel dat ik ben?” God doorziet de mooie woorden van liefde en kijkt recht in het gezicht van mensen van Efraïm en ziet dat zij nog steeds het verbond met Hem overtreden: ze blijven volharden in hun kwaad van moord, roof en ontrouw. Hoe kun je tegen God het ene zeggen, terwijl je je naaste gruwelijk behandelt? Dat valt niet met elkaar te rijmen. En daar prikt God door heen, als een God die oprechtheid, gerechtigheid en liefde van Efraïm verlangt.

God is hier een gekwetste verbondspartner, die naar oprechte inkeer van Israël verlangt, die ziet dat in dat berouw inzicht nodig is in het eigen aandeel van dat wat er verkeerd is gegaan. Natuurlijk: Efraïm haalt aan dat God verscheurd heeft, dat de hand heeft geslagen, maar ze verhaalt niet de reden van dit scheuren en dit slaan, wat haar eigen aandeel is, dat laat ze bewust achterwege. Ze vertelt niet dat ze zelf van de goddelijke weg van zegen is afgedreven door achter andere goden aan te gaan, door niet te vertrouwen op de macht van de Heere en dat ze door middel van intriges en corruptie mensen op een zijspoor of onder de grond heeft gewerkt. Het komt bij mij over dat ze van Gods zelfgetuigenis, dat Mozes heeft gehoord in Exodus 34 (vers 6 en 7), alleen het eerste deel wil aannemen: “‘De HEER! De HEER! Een God die liefdevol is en genadig, geduldig, trouw en waarachtig, die duizenden geslachten zijn liefde bewijst, die schuld, misdaad en zonde vergeeft.” Maar het tweede deel laat ze moedwillig achterwege: “maar die (eigen invoeging) niet alles ongestraft laat en voor de schuld van de ouders de kinderen en kleinkinderen laat boeten, en ook het derde geslacht en het vierde.’”, want “daar kunnen we niets mee of daar willen wij niets van horen, want dan moeten wij toegeven dat wij zelf verkeerd hebben gehandeld; dat we hebben meegewerkt aan onze ondergang.”

Ik besef ook dat een tekst als deze heel gemakkelijk verkeerd geïnterpreteerd kan worden. In Hosea wordt de verbondsrelatie tussen God en Israël weergegeven als een huwelijk tussen man en vrouw. Tussen de echtelieden botert het niet zo en dat is nog maar een understatement. Het kan hier lijken alsof er sprake is van huiselijk geweld. Dat de man de vrouw slaat en die vrouw vergoelijkt het, want “hij is zo lief voor me, hij verandert nog wel, hij is zo goed voor de kinderen”, of ze wordt zo murw geslagen en ze bedekt het met de mantel der liefde. Dit doet mij ook denken aan de artikelen van het dagblad Trouw die in juli (21 en 22 juli 2017 > zie voor artikelen: https://www.trouw.nl/religie- en-filosofie/alles-wat-je-moet-weten-over-de-jehovah-s-getuigen~a1cd22e2/ ) over misbruik bij de Jehova’s getuigen bericht hebben. Slachtoffers en zelfs een ouderling die een slachtoffer wilde bijstaan, ervaren dat ze niet gehoord worden, laat staan dat ze met gerechtigheid te maken krijgen, als de dader telkens weer de hand boven het hoofd wordt gehouden, dat de dader geen berouw over het aangedane misbruik toont.

Met deze mantels der liefde neemt ook God geen genoegen. Dit is geen dreigement, maar dit heeft te maken met: hoe houden we het weefsel van een gemeenschap goed, hoe laten wij gerechtigheid zegevieren, door het kwade niet ongestraft te laten en dat we werken aan berouw over de aangerichte schuld – dus ook dat het doen van kwaad op kwaad gestopt wordt – zodat er oprechte vergeving plaats vindt. Dat is geen gemakkelijke weg, laat staan dat dit een zogenaamde quick fix, een snelle oplossing is. Daar gaat tijd over heen. Het kan toch niet zo zijn, dat er dan sprake is dat er de ander na aangerichte schade heel snel ‘zo zand erover’ zegt en weer over gaat naar de orde van de dag of hier in het geval van verbondsverbreking: dat God zich weer als vanouds toont– dat God geeft liefde, zegen, vruchtbaarheid, want eigenlijk projecteren de zangers van het boetelied elementen van de Baäl-godheid op God. Die godheid liet zich gemakkelijk met offers inpalmen en dan was het weer klaar en kon je weer de draad van het dagelijks leven inclusief het doorgaan met je onrechtigheden oppakken en genieten van het geluk dat deze godheid jou schonk op het land of in je gezin.

Tegen deze gemakzuchtige houding stelt God zich op. In het zesde vers heeft God niets tegen de offerpraktijk van Israël, zoals het later nog wel te vaak is uitgelegd, maar God verbindt hier offers voor Hem doen met de innerlijke gesteldheid van oprechte liefde voor God en met het goed houden van de maatschappelijke en persoonlijke relaties. Dus gezegd vanuit het beginpunt van de Tora: heb God lief met geheel je hart, geheel je verstand, met al je kracht en je geest en heb je naaste lief als jezelf. Het beoefenen van godsdienst en liefde voor je medemens zijn één. Je kunt wel mooi over God spreken en prachtig verwoorde dogma’s aan het papier toevertrouwen, maar als je de arme niet wilt zien, als je de ander vermoordt, overspel pleegt... waar ben jij dan mee bezig?

God weert de woorden van Efraïm af dat God is ‘als milde regen, als de lenteregen die zeker het land haar vruchtbaarheid zal geven’ met: “jullie liefde is als ochtendnevel, als dauw die ’s morgens vroeg verdwijnt.” (vers 4b). “Die mooie woorden van jullie: als de zon van gerechtigheid er over komt, vallen ze weg en stellen ze niets meer voor. Zorg dat jullie je omkeren naar Mij, dat jullie oprecht werk maken van het kennen van mij, want dan volgen de goede werken.” Dan zullen recht en gerechtigheid Gods de aarde werkelijk overvloed geven en zal niemand meer weten wat oorlog is.

Dergelijke dingen bevragen ook ons in onze houding in geloof: hoe staan wij voor God en voor onze naaste? Wat voor een God willen wij dienen? Een God die jou met een aai over de bol zegt: “en nou niet meer doen, hé?” Of een God die aan en met ons wil werken aan een goede relatie, die ons geleidelijk aan het goede leert, die rekening houdt met onze zwakheden en ons bijstaat, waar wij al hakkelend woorden vinden voor: “dat heb ik verkeerd aangepakt en dat wil ik zo niet meer doen. Ik wil volwassen voor God en voor jou staan. Ik wil zelf de verantwoordelijkheid dragen. Ik wil liefde geven en ontvangen, oprecht God kennen.” Dat wij samen mogen beamen dat wij God zo mogen zien met de woorden van lied 653 (deel 1e couplet en 4e):

Dat wij U kennen, uit en tot U leven, Verborgene die bij ons zijt
...
Gij zijt het licht van God gegeven,
een zon die nog haar stralen spreidt, wanneer het nacht wordt in ons leven, wanneer het nacht wordt in de tijd.

O licht der wereld, zie er is
voor wie U kent geen duisternis.

Dat wij oprecht kennis van God mogen zoeken en Hem lief hebben en de naaste als onszelf. Amen.

Contactgegevens

Protestantse gemeente Grootegast/Sebaldeburen

Goede Herderkerk, De Gast 2, 9861 BM te Grootegast

0594-613073

Contact via email